Waarom een struweelheg?

Van egels tot winterkoninkjes, bijen en vlinders: heggen die bestaan uit inheemse bloesemstruiken zijn van grote waarde voor de natuur. Dat geldt al helemaal als die heggen ook nog bestaan uit streekgebonden soorten: de struiken die ook van oorsprong aanwezig waren in het landschap, in oude heggen, houtwallen en de wilde struwelen langs de Vecht. Over die betekenis van Vechtdalheggen voor de natuur, het landschap en de historie, kan je meer lezen op deze pagina.

Elke heg is waardevol, maar landschappelijke heggen spannen de kroon. Die worden ook wel struweelheggen genoemd. Dat zijn heggen die niet al te strak of vaak gesnoeid hoeven te worden. (Daar is alsnog veel variatie in denkbaar: het is mogelijk om de struiken in zulke heggen bijvoorbeeld eens in de 6 jaar dicht bij de grond af te zetten. Het is naar wens ook mogelijk om ze wel elk jaar te snoeien, maar ze toch voldoende ruimte te geven. Denk dan aan heggen met een breedte van minimaal 1 meter en een hoogte van 1,5 meter.)

Grauwe klauwier op heg
Klapekster in de top van een heg. Ook deze vogel is op zoek naar woonruimte in het Vechtdal. Foto: Erik den Boer

Struweelheggen hebben bloesems en bessen

Door hun wat grotere volume produceren struweelheggen in het voorjaar rijke bloesems en in het najaar veel bessen. Dit maakt de heggen zeer waardevol voor allerlei dieren, van hommels, zandbijen, zweefvliegen, vlinders en egels tot echte heggenvogels als de geelgors, de winterkoning, de heggenmus, de patrijs en de grauwe klauwier – die allemaal nog voorkomen in het Vechtdal. De vogels die de bessen eten dragen bovendien bij aan behoud van de struiksoorten in het Vechtdal. (Daarom delen wij ook alleen struiken van lokale genetische herkomst uit.)

Sleedoornpage eitje Simon Plat
Sleedoornheg met op de voorgrond een vliegende voorjaarszandbij.

Sleedoorn en nog twaalf andere bloesemsoorten

De heggen die wij uitdelen bestaan in totaal uit 13 verschillende soorten bloesemstruiken. Sleedoorn, tweestijlige meidoorn, wegedoorn en rode kornoelje zijn het belangrijkst. Daarnaast bevatten de heggen een kleiner aandeel wilde kardinaalsmuts, egelantier, heggenroos, brem, veldesdoorn (Spaanse aak), wilde liguster, vlier, sporkehout en Gelderse roos.

Die grote variatie is bedoeld voor een extra bloemrijk resultaat én om optimaal leefgebied te creëren voor zo veel mogelijk lokaal voorkomende soorten.

Hieronder lees je wat enkele van deze struiksoorten betekenen voor de unieke Vechtdalnatuur:

Uitdelen van plantgoed in de Ommermars, winter 2024-2025

Zandbijen, sleedoornpage en grauwe klauwier

De belangrijkste bloesemstruik voor de natuur in het Vechtdal is de sleedoorn. Zo vormt sleedoorn de basis voor de wilde struwelen in de oude koelanden. In het voorjaar geven die een zee van witte bloesem aan het landschap. Dankzij deze sleedoornstruwelen komt in Ommen bijvoorbeeld ook de sleedoornpage nog voor, een zeldzame dagvlinder die volledig afhankelijk is van sleedoorn. Sleedoorn is tijdens de bloei in april ook belangrijk voor allerlei voorjaarszandbijen en vanwege de eetbare vruchten voor allerlei vogels.

Over vogels gesproken: de indrukwekkende grauwe klauwier, die onder andere nog te vinden is in het Junner Koeland, zit het liefst in de top van sleedoornstruiken.

Vanwege dit grote belang voor de lokale natuur zit sleedoorn in een wat hoger aandeel in de gemengde heggen.

Ook zit er een wat groter aandeel tweestijlige meidoorn in. Dit is niet de gangbare meidoornsoort (de eenstijlige meidoorn), maar een zeldzamere soort die van oorsprong meer kenmerkend is voor de oostelijke zandgronden. Wij willen deze prachtige bloesemstruik daarom graag behouden in het Vechtdal.

Ook meidoorn is heel waardevol voor bestuivende insecten en vogels. En in combinatie met sleedoorn betekent het dat de heg, als deze eenmaal volgroeid is, tenminste twee maanden lang in bloei staat (maar maak daar maar drie maanden van, want na de meidoorn volgen alle andere bloesemstruiken nog!).

Wegedoornspanner, boomblauwtje en nog veel meer

Ook wegedoorn en rode kornoelje zitten in een iets hoger aandeel in de heggen. Wegedoorn is een vrij zeldzame, maar kenmerkende struik voor de koelanden langs de Vecht, zoals het Arriër Koeland. Daar komt bijvoorbeeld nog de wegedoornspanner voor, een zeldzame nachtvlinder die wel wat steun kan gebruiken. Maar wegedoorn is belangrijk voor nog veel soorten meer dag- en nachtvlinders, waaronder ook het boomblauwtje en de citroenvlinder.

Rode kornoelje is ook een echte heggensoort, die veel wordt aangetroffen in oude heggenlandschappen. Rode kornoelje is vooral een kenmerkende soort voor de oude heggen langs de IJssel. Toch vormt rode kornoelje ook in een Vechtdalheg een verrijking, onder andere vanwege de mooie bloemen die verschijnen (meestal begin juni) als de meidoorn is uitgebloeid. Rode kornoelje kan bovendien in het najaar een tweede keer bloeien.

De Vechtdalheggen worden verder aangevuld met twee echte Vechtdalrozen (de roze egelantier en de witte heggenroos), wilde kardinaalsmuts, brem, sporkehout, veldesdoorn (ook wel Spaanse aak), wilde liguster, vlier en Gelderse roos. Al deze soorten produceren bloesems en zijn waardevol voor bestuivende insecten en ander leven.

Heg moestuin arrien
Drie jaar oude Vechtdalheg met op de voorgrond een bloeiende egelantier, een andere kenmerkende Vechtdalsoort.

De sleedoorn in Vechtdalheggen komt uit Ommen

Al het plantgoed dat wij uitdelen is gecertificeerd autochtoon. Dat betekent dat het via een speciaal programma van Staatsbosbeheer is opgekweekt uit de (zeldzame) wilde populaties van deze soorten in ons eigen land. Wij kopen dit plantgoed vervolgens op van kwekers die gespecialiseerd zijn in autochtone bomen en struiken.

De meeste soorten stammen via de zaden af van de genenbank van Staatsbosbeheer (en daarmee uit meerdere wilde populaties in Nederland). Bij enkele andere soorten worden de zaden nog geoogst in wilde struwelen. Wij kiezen in dat geval altijd voor zo lokaal mogelijke herkomsten.

Zo is de sleedoorn die wij uitdelen genetisch letterlijk afkomstig uit Ommen: de bessen zijn door Staatsbosbeheer geoogst in het Junner Koeland en de Prathoek. Deze Ommense sleedoornbessen zijn daarna door kwekers opgekweekt tot nieuwe boompjes, die wij weer een plek geven terug in het Vechtdal. Zo blijft niet alleen de soort, maar zelfs het lokale DNA behouden.

Ook dat kan voor de ecologie heel belangrijk zijn. Zo is bekend dat voorjaarsbijen een betere match hebben met de bloesems van de wilde sleedoorn van het Vechtdal, dan met een massaal – onder andere door Rijkswaterstaat – aangeplante Zuid-Europese variëteit van de sleedoorn (wat in een groot deel van Nederland de gangbare sleedoorn is geworden). Ook van de sleedoornpage, de zeldzame dagvlinder die nog voorkomt in Ommen, wordt vermoed dat deze een voorkeur heeft voor de wilde, lokale sleedoorn.

IMG_1921 (1)
Meidoorn- en sleedoornbessen in een oude struweelheg in Varsen.

Slechts een eeuw geleden nog duizenden kilometers

Heggen en houtwallen lagen in het Vechtdal vroeger langs de randen van essen (akkers), maten (hooilanden) en marsen (weilanden). Deze begrenzingen dienden onder andere om wild buiten te houden en vee binnen. Tezamen vormden deze groenstroken een reusachtig netwerk: ruim een eeuw geleden werd Overijssel nog doorkruist door tienduizenden kilometers heggen en houtwallen. Het grootste deel daarvan is verdwenen, als gevolg van de uitvinding van het prikkeldraad – en door herinrichtingen van het landschap. Ook de afgelopen tien jaar verdwenen er in Overijssel nog meer heggen en houtwallen dan er werden bijgeplant. Toch is er vooral dicht langs de Vecht nog een schatkamer bewaard gebleven, met name in de vorm van wilde struwelen in de ‘koelanden’.

sleedoorn-bloesem-junner-koeland
In het Junner Koeland geven sleedoornstruwelen in het voorjaar een zee van witte bloesems.

Het verschil tussen heggen en houtwallen was klein

Houtwallen liggen op een lage aarden wal (vaak met een greppel ervoor), maar verder is het verschil met heggen (en hakhoutsingels) in het oorspronkelijke landschap klein. Overgebleven historische houtwallen en hakhoutsingels bestaan tegenwoordig vaak uit een rij hoog opgaande eiken. Maar in het historische landschap bleven de bomen in houtwallen (naast eiken ook elzen, essen of winterlindes) veel lager, omdat ze gebruikt werden voor hakhout.

Naast deze (lage, meerstammige) hakhoutbomen hadden houtwallen en hakhoutsingels oorspronkelijk vaak óók een dichte struiklaag, die bestond uit onder andere sleedoorn en meidoornsoorten. Die struiklaag was, net als bij lagere heggen, bedoeld om wild buiten te houden en vee juist binnen de afscherming. Zulke lage, dichte houtwallen leken oorspronkelijk dus sterk op struweelheggen. En dat zijn precies de heggen die we terugbrengen in het landschap.

IMG_1192 (1)
Vechtdalheg in Arriën.